Fallen angels – Bob Dylan
Ik schrijf deze recensie op 24 mei, de verjaardag van Bob Dylan, door velen beschouwd als de grootste Amerikaanse singer-songwriter van de 20e eeuw. Dylan is al weer 75 jaar. Waar blijft de tijd. Desondanks, of misschien wel dankzij deze mijlpaal, staat hij momenteel weer volop in de belangstelling. Het is dit jaar precies 50 jaar geleden dat zijn wereldberoemde album Blonde on blonde uit kwam. Vorige maand verscheen ook de 5-delige boxset Dylan revisited, met bijna 6 ½ uur onvergetelijke songs (87) van de meester. En Dylan gaat, ondanks het feit dat hij de pensioengerechtigde leeftijd al lang heeft bereikt, niet op zijn lauweren rusten, want nadat hij net een tournee door Japan achter de rug heeft, gaat hij in juni en juli ook weer toeren in de VS.
En als klap op de vuurpijl verscheen er deze week Fallen angels, een nieuw album van Dylan. Net als het vorig jaar verschenen album Shadows in the night, bevat Fallen angels ook coverversies van liedjes die, met uitzondering van Skylark, ooit door Frank Sinatra zijn vertolkt. De twaalf songs vinden hun oorsprong voornamelijk in de jaren 30, 40 en 50 van de vorige eeuw. Dylan toont zich weer een ware crooner, en ik vind hem zelfs beter zingen dan op Shadows in the night, zoals in All the way, en All or nothing at all. Hij heeft zich net als op zijn vorige album weer weten te omringen met een aantal uitstekende musici, met een hoofdrol voor Donnie Herron op pedal steel, zoals in Young at heart, Nevertheless en Polka dots and moonbeams. De gitaar in dat laatste nummer roept herinneringen op aan Django Reinhardt. Mooi zijn ook de arrangementen van James Harper in songs als Maybe you’ll be there, de popstandard Skylark van Hoagy Carmichael en Johnny Mercer uit 1941 (western swing) en de overbekende jazzstandard Come rain or come shine uit de Broadway musical St. Louis woman uit 1946. On a little street in Singapore, de bekende jazzsong uit de jaren 30, behalve door Sinatra ook vertolkt door Dave Brubeck, Glenn Miller en The Manhattan Transfer, krijgt hier door Dylan en de zijnen ook een mooie uitvoering. Subtiel gitaarwerk is te horen in It had to be you, het door Gus Kahn geschreven populaire lied uit 1924 en in Melancholy mood, oorspronkelijk de b-kant van de eerste single van Frank Sinatra uit 1939. Het enige uptempo nummer is That old black magic een shuffle, als eerste door Glenn Miller in 1942 en in 1947 door Sinatra op de plaat gezet.
Conclusie: Fallen angels is een mooi album en zeker gecombineerd met een boek en een goed glas wijn kun je hiervan zeker genieten. Frank Sinatra heeft een immens repertoire, dus als Dylan wil kan hij voorlopig nog vooruit met het uitbrengen van albums met covers van The Voice. Daar heb ik eigenlijk niets op tegen, maar misschien moet hij de volgende keer weer eens een lekker ouderwets album als Blonde on blonde maken.
Tracks:
- Young at heart
- Maybe you’ll be there
- Polka dots and moonbeams
- All the way
- Skylark
- Nevertheless
- All or nothing at all
- On a little street in Singapore
- It had to be you
- Melancholy mood
- That old black magic
- Come rain or come shine
Line up:
- Bob Dylan – zang
- Charlie Sexton – gitaar
- Stu Kimball – gitaar
- Dean Parks – gitaar
- Donnie Herron – pedal steel, viola
- Tony Garnier – bas
- George Recile – drums
Not quite legal – Chase Walker Band
De in Riverside, Californië geboren Chase Walker is pas 17 jaar en hem wordt nu al een grote toekomst voorspeld. De superlatieven zijn niet van de lucht. “Stevie Ray Vaughan, Kenny Wayne Sheppard en nu Chase Walker”, het zal je maar gezegd worden. Zijn fans vergelijken hem met Gary Moore. In 2009 kreeg hij met Kerstmis zijn eerste gitaar. Hij zegt muzikaal beïnvloed te zijn door o.a. Stevie Ray Vaughan, The Black Crowes en The Black Keys.
In 2012 startte hij de Chase Walker Band met twee andere jonge musici, Matt Fyke, een 17-jarige drummer uit Anaheim, Californië en een andere tiener, bassist Randon Davitt. Fyke’s favoriete drummers zijn Ian Paice, John Bonham, Mitch Mitchell en Keith Moon. Randon Davitt was er ook heel vroeg bij want zijn muzikale opvoeding begon toen hij pas vijf jaar was en was gek op vroege rock ‘n ‘ roll en blues, maar ook jazz, klassieke muziek, punk en metal trokken zijn aandacht.
The Chase Walker Band heeft zo’n 150 optredens per jaar. Ze traden o.a. op in The House of Blues en stonden in het voorprogramma van Kenny Loggins, B.B. King, Tab Benoit, Devon Allman en Cyril Neville.
Hun nieuwe album Not quite legal kwam vorige maand uit, als opvolger van hun debuutalbum Unleased uit 2014. Op het nieuwe album staan elf eigen nummers en twee covers. De opener Done loving you knalt er lekker stevig in en daarin laat Walker meteen horen dat hij een uitstekende gitarist is. Dat laat hij daarna zeker horen in de prachtige rudimentaire slowblues Red house van Jimi Hendrix, waarin ook de ritmesectie prominent aanwezig is. The walk begint met een cowbell, doet me denken aan Honky tonk woman van The Rolling Stones en explodeert in een heavy rocker. New state of mind is een prachtige bluesballad en I warned you en Cold hearted zijn weer (hoekige) bluesrock met korte felle gitaarsolo’s, strak drumwerk en backupvocals. Backupvocals die ook weer horen in de stevige bluesballad Don’t fit up. De tweede cover op het album, 54-46 van Toots & The Maytals, krijgt uiteraard een reggae uitvoering met een verschroeiende gitaarsolo van Walker, een korte basssolo van Davitt en de backupvocals van Davitt en Fyke. Bassist Randon Davitt neemt de leadvocalen voor zijn rekening in de uptempo rocker Changed, waarbij Matt Fyke duidelijk laat horen wie zijn favoriete drummers zijn. In de bluesballad It’ ll pass laat Walker weer zijn niet geringe gitaristische kwaliteiten horen met een felle gitaarsolo over een muur van orgeltonen. Honey jar en Living on thin ice zijn gitaarrockers en het album eindigt met de hidden track Yabba dabba, een song met een Ramones achtige titel, duistere zang, lopende bas, een gierende gitaarsolo en beukend drumwerk.
Conclusie: Chase Walker maakt de superlatieven die hem van diverse kanten zijn toegezwaaid helemaal waar. Een uitstekende gitarist met een voorkeur voor korte felle gitaarsolo’s, die zich omringd weet door prima medebandleden. Met Not quite legal heeft de Chase Walker Band een heel goed melodieus bluesrock album gemaakt. Dit powertrio weet van wanten. Ik moest alleen even wennen aan de zang van Walker, maar ja op je 17e heb je natuurlijk nog geen doorrookte bluesstem. Van deze band van teenagers gaan we ongetwijfeld nog veel horen.
Tracks:
- Done loving you
- Red house
- The walk
- New state of mind
- I warned you
- Cold hearted
- Don’t fit up
- 54-46
- Changed
- It’ ll pass
- Honey jar
- Living on thin ice
- Yabba dabba (hidden track)
Line up:
- Chase Walker – gitaar, leadvocals, backupvocals
- Randon Davitt – bas, leadvocals (track 9), backupvocals
- Matt Fyke – drums, backupvocals
- Jade Bennet-Mateo – backupvocals (tracks 1,4,5 en 10)
- April Stephenson – backupvocals (tracks 3,6,7,9,11 en 12)
- Drake Munkihaid Shining – keyboards (tracks 1,4,5 en 10)
Blue skies – Matty T. Wall
Matty T. Wall is een Australische bluesgitarist. Hij groeide op met het spelen van songs van AC/DC en Metallica en de energie die hij opdeed met het spelen hiervan probeert hij volgens hem nu in zijn bluessongs te stoppen. Zijn liefde voor de blues ontstond in zijn vroege tienerjaren toen hij gefascineerd raakte door het gitaarspel van Eric Clapton.
Vorige maand verscheen Blue skies, het debuutalbum van Matty T. Wall. Het album werd opgenomen in New York en in Perth. De cd begint met de ronkend startende motor van een auto en enkele seconden later barst het geweld los in Burnin’ up burnin’ down, een stevige bluesrocker met elementen die me doen denken aan J.D. Loudermilk’s Tobacco road. De stampende ritmesectie bestaande uit drummer Jasper Miller en bassist Stephen Walker dendert voort in de bluesstomper Am I wrong. Love gone away is een prachtige slowblues met vlammende en lyrische gitaarsolo’s. Matt T. Wall haalt vervolgens in Scorcher alles uit de kast, van vingervlug gitaarwerk a la Alvin Lee tot Stevie Ray Vaughan achtige gierende gitaarsolo’s, begeleid door jachtige drums en een ronkende bas. In het titelnummer Blue skies worden lyrische gitaarsolo’s afgewisseld door handclapping en gospelachtige vocalen. This is real is een ruim zeven minuten durende soulblues met Wall’s subtiele gitaarwerk dat hij halverwege afwisselt met een Carlos Santana en Joe Bonamassa achtige solo. Subtiele harmonievocalen, het strakke drumwerk en het orgel van Gordon Cant maken van dit nummer verder een van de hoogtepunten van het album. De Jimi Hendrix klassieker Voodoo chile krijgt een ruim elf minuten durende zeer opwindende uitvoering, met schitterende orgelpartijen, een onverstoorbare ritmesectie, een psychedelisch intermezzo waarin drummer Miller alle ruimte krijgt en uiteraard de indringende gitaarsolo’s. In Broken heart tattoo verhaalt Wall over de “lopende” bastonen van Walker over pistoolschoten en een duel met dodelijke afloop over een meisje met een aparte tattoo. Een rustpunt is het instrumentale Smile, met schitterend soms ingetogen jazzy gitaarspel. Het album wordt afgesloten met een andere grote bluesklassieker, Hellhound on my trail van Robert Johnson. Het nummer begint en eindigt met donder en hagelbuien en krijgt hier een zeer aparte intense uitvoering met indringende zang en sterke percussie.
Conclusie: Ik moet eerlijk bekennen dat ik nog nooit van Matty T. Wall had gehoord, maar na het beluisteren van zijn debuutalbum ga ik van de daken schreeuwen dat ik een formidabele bluesgitarist heb ontdekt. Met zijn band heeft hij met Blue skies een spetterend bluesrockalbum gemaakt.
Tracks:
- Burnin’ up burnin’ down
- Am I wrong
- Love gone away
- Scorcher
- Blue skies
- This is real
- Voodoo chile
- Broken heart tattoo
- Smile
- Hellhound on my trail
Line up:
- Matt T. Wall – gitaar, zang
- Stephen Walker – bas
- Jasper Miller – drums
- Gordon Cant - hammond
Hi-Lo-Fi – Dylan Wickens & The Grand Naturals
Dylan Wickens is een Canadese singer-songwriter, bluesgitarist en voorman van Dylan Wickens & The Grand Naturals, een powertrio dat muziek maakt die geworteld is in de psychedelische bluesrock van de jaren 60 van de vorige eeuw en met duidelijke invloeden van Jimi Hendrix, Cream, The Black Keys, Doyle Bramhall II en Gary Clark jr.
Het eerste album van de band Tattoo black, verscheen in 2010. Wickens was twee keer de winnaar van Toronto’s Blues Society’s National Talent Search en werd genomineerd voor een Maple Blues Award. De band bestaat naast zanger gitarist Dylan Wickens uit drummer Al Webster en bassist Dennis Pinhorn.
Deze maand verscheen Hi Lo-Fi, het nieuwe album van het Canadese bluesrock trio, een album met negen niet al te lange zeer krachtige heavy songs. In het openingsnummer Foolish heart wordt dat meteen al duidelijk. Het trio gaat daarna helemaal los in Love & lust, met de indringende gitaarsolo’s van Wickens over de zeer strakke ritmesectie heen. Het Gary Clark jr. achtige Run sister begint met een harde klap op de drums, waarna de heavy fuzzy bas en de zeer felle gitaarsolo’s losbarsten. In het hoekige Calamity Jane komt even een hammond om de hoek kijken en dat geeft een extra touch. In nummers als Fall apart en She’s back in town is duidelijk te horen dat Dylan Wickens ongetwijfeld beïnvloed is door Jimi Hendrix, met de (wah wah) gitaarsolo’s. In Your own man en Rock bottom is weer die zeer hechte en heavy ritmesectie prominent aanwezig en ook de keiharde soms vlammende gitaarsolo’s. De tamelijk rauwe stem van Wickens past daar weer precies bij. Het laatste nummer is een liveregistratie van In my time of dying. In vergelijking met de andere songs op dit album is er geen enkel verschil merkbaar. Ook live, en misschien wel juist live, spelen Dylan Wickens & The Grand Naturals de planken uit de bühne.
Conclusie: Hi Lo-Fi is een album met zeer energieke bluesrock. Rauw, echt, traditioneel en modern. Liefhebbers van dit genre worden door Dylan Wickens & The Grand Naturals op hun wenken bediend.
Tracks:
- Foolish heart
- Love & lust
- Run sister
- Calamity Jane
- Fall apart
- She’s back in town
- Your own man
- Rock bottom
- In my time of dying (live)
The kings of rhythm – jump jive & wail – Bill Wyman’s Rhythm Kings
Bill Wyman verliet in 1993 na 30 jaar The Rolling Stones. Hij wilde zich zo verklaarde hij destijds bij de BBC dat hij zich wilde gaan concentreren op “de belangrijke dingen in het leven”. Maar de op 24 oktober 1936 geboren “stille Stone”, hij hoopt dit jaar 80(!) jaar te worden, ging niet op zijn lauweren rusten. De eigenaar van het Londense restaurant Sticky Fingers, die toen hij nog deel uitmaakte van The Stones al een aantal soloalbums had uitgebracht, bleef na 1993 actief in de muziek en hij richtte een eigen band op, Bill Wyman’s Rhythm Kings. In die band speelden (en spelen nog steeds), net als op zijn eerdere soloalbums, een keur aan topmuzikanten mee. B.v. zanger-pianist Georgie Fame (Georgie Fame & The Blue Flames, zanger-organist Gary Brooker (Procol Harum), gitarist Albert Lee (Heads Hand & Feet, Emmylou Harris, Eric Clapton), gitarist Andy Fairweather Low (Amen Corner), jazzgitarist Martin Taylor, sessiedrummer Graham Broad en pianist-accordeonist Geraint Watkins (Nick Lowe, Dave Edmunds, Van Morrison). Musici die hun sporen ruim hebben verdiend in de Britse muziekscene. De band ging in diverse samenstellingen toeren en maakte ook een serie albums. Vorig jaar bracht Bill Wyman na 33 jaar weer een soloalbum uit, het niet onaardige Back to basics.
Bill Wyman staat ook bekend als archivaris (hij heeft heel wat van The Rolling Stones vastgelegd) en daarom is het ook niet vreemd dat ook hij nu oud werk van The Rhythm Kings (opnieuw) gaat uitbrengen. Niet alleen reguliere albums, maar ook albums die als officiële bootlegs al eens via bepaalde (eigen) kanalen verkrijgbaar waren. Maart jl. kwam de box Jump jive & wail, The Kings of Rhythm vol.1 uit, een box met vier albums.
Cd 1, Struttin’ our stuff stamt uit 1997 en was het eerste album van The Rhythm Kings. De twaalf nummers op dit album zijn een mix van covers en eigen composities. Covers als Green river (John Fogerty) met voortreffelijk gitaarwerk van Terry Taylor, en Melody (The Stones) met Eric Clapton op leadgitaar, Gary Brooker op orgel en de blazers o.l.v. Nick Payn, die in Stuff een knetterende saxsolo loslaat. Bill Wyman is een uitstekende bassist en zingt ook op een paar nummers. Maar dat kan hij beter overlaten aan Beverley Skeete, die vocaal uitstekend op dreef is in nummers als Walking on my own, en Bad to the bone. In de bluesklassiekers I’m mad (Willie Mabon) en Down in the bottom (Willie Dixon) is organist Geraint Watkins de leadzanger met Dave Hartley op piano. Gitarist Albert Lee is goed op dreef in Motorvatin’ mama, Jitterburg boogie (Mike Sanchez zang) en Going crazy overnight met mooie backvocals. Hole in my shoe is mooie soul met een hoofdrol voor Georgie Fame op orgel en zijn stem doet de tijden van Georgie Fame & The Blue Flames herleven. Het slotnummer is Tobacco road, een opwindende versie van het bekende nummer van J.D. Loudermilk, met Paul Carrack als zanger en Peter Frampton op gitaar.
Cd 2, Bootleg kings, “live in Europe” is een live album met negen rhythm & bluesnummers die zijn opgenomen tijdens de Europese Tour van Bill Wyman’s Rhythm Kings in 1998. Het schetterende koper van de blazers opent Let the good times roll, waarna Beverley Skeete, Gary Brooker en Georgie Fame om beurten de vocalen voor hun rekening nemen. In Stagger Lee blaast Nick Payn een spetterende saxsolo. Mystery train davert als een trein door het woestijnlandschap met zanger Georgie Fame op hammond en Nick Payne die op mondharmonica de stoomfluit imiteert. Rockin’ pneumonia and the boogiewoogie flu van Huey “Piano”Smith, behoeft geen nadere duiding. Hit the road Jack, met een vleugje Fever, duurt bijna een kwartier, met Georgie Fame weer in een hoofdrol als zanger en met zijn hammondsolo’s, de jazzy gitaar en de saxsolo. Prachtig is de vertolking van Georgia on my mind, met een fenomenaal zingende Fame en de jazzy gitaar van Martin Taylor. De gashendel gaat weer open in het rockende Land of 1000 dances/Tequila, waarin drummer Graham Broad van de bandleden de credits krijgt, en de boogie Good golly miss Molly. Het album eindigt met de rocker Tear it up, met leadzanger Albert Lee die felle gitaarduels uitvecht met Martin Taylor.
Cd 3, Anyway the wind blows, oorspronkelijk uit 1999, is een album met veertien songs en twee bonustracks, met wederom een groot aantal covers en een aantal eigen composities van Bill Wyman en gitarist Terry Taylor. Het titelnummer van J.J. Cale is een lekkere laidback binnenkomer met Peter Frampton op gitaar. Beverley Skeete geeft haar visitekaartje af in Spooky. Walking one & only is swingende jazz met Wyman op bas, Dave Hartley op piano en Georgie Fame vocals en orgel en Albert Lee leadgitaar. Lee neemt ook de leadgitaar ter hand in J.B. Lenoir’s Mojo boogie met de blazers Frank Mead en Nick Payn. Paul Carrack is gastvocalist in Willie Dixon’s blues Too late met Jerry Portnoy op mondharmonica. Every sixty seconds krijgt een andere jazzy uitvoering dan op Wymans soloalbum Stone alone, met Chris Rea op slide en een formidabele Beverley Skeete. Ring my bell is ook een jazzy nummer. In de slowblues Days like this (Mose Allison) zijn weer de hammondsolo’s van Brooker te horen en speelt Dave Hartley piano. Martin Taylor is leadgitarist in het swingende jazzy He’s a real gone guy. Twee beroemde gitaristen vervullen gastrollen in A true romance (Mick Taylor op slide) en in de slowblues Gee baby, ain’t it good to you (Eric Clapton). Swingende soul- en pianoblues wordt ons weer voorgeschoteld in When Hollywood goes black & tan, Crazy he calls me, met Beverley Skeete als een echte nachtclubzangeres, en in Struttin’ our stuff, met zang van Mike Sanchez en een stoïcijns bassende Wyman. De twee bonustracks zijn stampende bluesnummers. Geoff Grange is de leadzanger en harmonicaspeler in Sugar babe, Andy Fairweather Low op leadgitaar, Nicky Hopkins op piano en een strak drummende Chris Johnson. In dezelfde bezetting wordt het album afgesloten met een fel rockende versie van de J. Geils Band klassieker Gonna find me a new love.
Cd 4, Bootleg Kings “Ride again” bevat negen liveopnamen geregistreerd tijdens de UK Tour 2000. Albert Lee bijt het spits af op vocals in I’m ready met Gary Brooker op piano. Brooker is daarna weer volop aan de beurt in zijn eigen compositie Lead me to the water, een heel mooie reggaeachtige gospelsoulblues met Georgie Fame op orgel en de voortreffelijke blazers Nick Payn en Frank Mead. Zangeres Beverley Skeete zingt Jacky Wilson’s Baby workout naar grote hoogten, waarna Albert Lee weer het voortouw neemt in Louis Prima’s swingende jumpblues Jump jive and wail, met een heerlijk “lopende” bas van Bill Wyman. Mystery train is een vast gegeven in de optredens van The Rhythm Kings en het nummer van Junior Parker krijgt ook hier een stomende uitvoering. I’ll be satisfied is een mooie soulblues met een scheurende sax. In Hello little boy van Duke Ellington is Janice Hoyte de leadzangeres en is Bill Wyman nadrukkelijk aanwezig op bas. Baby you got what it takes is heerlijke soulblues met piano, orgel, blazers, duozang en droog drumwerk van Graham Broad. De absolute uitsmijter is de schitterende versie van Hoagy Carmichael’s Georgia on my mind, met de formidabele improviserende zang van Georgie Fame.
Conclusie: De 4 cd box Jump jive & wail geeft een goed beeld van de muziek van Bill Wyman’s Rhythm Kings. De kracht van Wyman is dat hij uitstekende musici om zich heen weet te verzamelen die op de plaat, maar vooral tijdens concerten, voortreffelijke muziek maken. Liefhebbers van blues, R&B, jazz, swing, boogie en ragtime komen volledig aan hun trekken. Bovendien is de box mooi verzorgd en goed gedocumenteerd.
Tracks cd 1: Rhythm kings ‘struttin’ our stuff
- Green river
- Walking on my own
- Melody
- Stuff (can’t get enough)
- Bad to be alone
- I’m mad
- Down in the bottom
- Motorvatin’ mama
- Jitterbug boogie
- Going crazy overnight
- Hole in my soul
- Tobacco road
Tracks cd 2: Bootleg Kings ‘Live in Europe’
- Let the good times roll (Vega Club Kopenhagen, Denemarken, 21 oktober 1998)
- Stagger Lee (Vega Club Kopenhagen, Denemarken, 21 oktober 1998)
- Mystery train (Le Bataclan Parijs, 12 oktober 1998)
- Rockin’ pneumonia & the boogie woogie flu (Music Hall Keulen, Duitsland, 15 oktober 1998)
- Hit the road Jack/Fever (Vega Club Kopenhagen, Denemarken, 21 oktober 1998)
- Georgia on my mind (Concert Hall Oslo, Noorwegen, 24 oktober 1998)
- Land of 1000 dances/Tequila (Vega Club Kopenhagen, Denemarken, 21 oktober 1998)
- Good golly Miss Molly (Train Club, Kopenhagen, Denemarken, 20 oktober 1998)
- Tear it up (Vega Club Kopenhagen, Denemarken, 21 oktober 1998)
Tracks cd 3: Rhythm Kings ‘anyway the wind blows’
- Anyway the wind blows
- Spooky
- Walking one & only
- Mojo boogie
- Too late
- Every sixty seconds
- Ring my bell
- Days like this
- He’s a real good guy
- A true romance
- Gee baby ain’t good to you
- When Hollywood goes black and tan
- Crazy he calls me
- Struttin’ our stuff
Bonustracks:
- Sugar babe
- Gonne find a new love
Tracks cd 4: Bootleg Kings ‘Ride again’
- I’m ready (De Montfort Hall, Leicester, 27 juni 2000)
- Lead me to the water (Marlowe Theatre, Canterbury, 28 juni 2000)
- Baby workout (Derngate, Northampton, 7 juni 2000)
- Jump, jive & wail (De Montfort Hall, Leicester, 27 juni 2000)
- Mystery train (Corn Exchange, Cambridge, 25 juni 2000)
- I’ll be satisfied (Derngate, Northampton, 7 juni 2000)
- Hello little boy (Rotheshall, Glenrothes, Schotland, 21 juni 2000)
- Baby, you got what it takes (Marlowe Theatre, Canterbury, 28 juni 2000)
- Georgia on my mind (Marlow Theatre, Canterbury, 28 juni 2000)
Live in Sweden 1987 – Johnny Winter & Dr. John
Johnny Winter werd geboren op 23 februari 1944 in Beaumont Texas. Hij begon al heel jong met muziek maken. Eerst op de klarinet, later koos hij voor de ukelele en op aandringen van zijn vader ging hij uiteindelijk over op de gitaar. Toen hij elf jaar was begon hij een duo samen met zijn broer Edgar. Vanaf 1959 speelde Johnny in verschillende bandjes totdat hij in 1968 doorbrak. In datzelfde jaar verscheen zijn eerste album The progressive blues experiment. Daarna volgden nog meerdere succesvolle albums. In 1977 ging hij samenwerken met Muddy Waters. In de jaren 80 maakte hij een aantal bluesrock albums. O.a. door zijn drugs- en drankgebruik, of volgens sommigen vanwege het feit dat hij een albino was, ging zijn gezondheid vanaf de jaren 90 achteruit. Hij bleef wel optreden en bracht ook nog regelmatig albums uit. Johnny Winter overleed op 16 juli 2014 in Zurich, vier dagen nadat hij had opgetreden op het Lovely Days Festival in Wiesen (Zwitserland). Hij werd 70 jaar.
Vorige maand verscheen Live in Sweden 1987, de registratie van een optreden van de band van Johnny Winter en Dr. John, in januari 1987 in de beroemde Sonet Sudios in Stockholm. De zeven nummers op de cd schotelen de luisteraar een klein uur energieke bluesrock voor. Op de dvd staat nog een bonustrack, Prodigal son.
Het album opent met de jachtige bluesrocker Sound the bell met de bekende gierende gitaarsolo’s van Johnny Winter, zijn schorre grommende zang, een bonkende drummer en een pompende bas. De verschroeiende gitaarsolo’s zetten zich voort in de Lonnie Brooks compositie Don’t take advantage of me, met de soms schreeuwerige stem van Winter en de voortdenderende ritmesectie. J.B. Lenoir’s Mojo boogie is een uptempo Elmore James achtige bluesrocker met Winter op slide en een jankende mondharmonica. In You lie too much neemt Dr. John het heft in handen met mooie pianosolo’s en voortreffelijke zang. Door de duidelijke inbreng van Dr. John komt er meteen meer variatie in het concert. In de Muddy Waters klassieker Sugar sweet is de tinkelende piano van Dr. John belangrijk en wisselen Winter en Dr. John elkaar als leadvocalist telkens af. De huilende mondharmoncia drukt ook een stempel op dit nummer. In Love life & money, van het album Third degree uit 1986, een album waar Dr. John ook piano op speelde, houdt Winter zich zowaar iets in als Dr. John op zijn piano een lekkere solo tevoorschijn tovert, maar als snel daarna vlamt de gitaar als nooit tevoren. En over vlammen gesproken, het slotakkoord mag er wezen. Een ruim tien minuten durende uitvoering van de Stones klassieker Jumpin’ Jack Flash. Na een aanloop barst de bekende Richards riff los. Winter geselt zijn gitaar, de piano van Dr. John rammelt lekker en de ritmesectie dendert over alles heen. Een spetterend slotakkoord van een show die met een schreeuw ‘It’s a gas gas” wordt besloten.
Conclusie: Live in Sweden 1987 is een album waar de energie van af spat. De bluesrock van Johnny Winter komt live heel goed tot zijn recht. En de fraaie bijdragen van Dr. John geven net even dat beetje variatie.
Tracks:
- Sound the bell
- Don’t take advantage of me
- Mojo boogie
- You lie too much
- Sugar sweet
- Love life & money
- Jumpin’ Jack Flash
Line up:
- Johnny Winter – gitaar, zang
- John Paris – bas en harmonica
- Tom Compton – drums
- Dr. John – piano, vocals
Wilder side – Carter Sampson
Ik word de laatste tijd regelmatig verrast door muziek uit Oklahoma. Recente albums van Wink Burcham, The Paul Benjaman Band en Jacob Tovar and the Saddle Tramps, om er maar een paar te noemen, waren voor mij prettige verrassingen. De muziekscene in Oklahoma bruist als nooit tevoren.
Ook singer-songwriter Carter Sampson komt uit Oklahoma City. Zij komt uit een muzikale familie en leerde op haar 15e van haar vader gitaar spelen. Ze is de oprichter en leider van Oklahoma City’s Rock ‘n‘ Roll Camp for Girls, een organisatie die zich samen met andere non profit organisaties inspant om meisjes en vrouwen via de muziek hoger op te helpen. Carter Sampson, die gemiddeld 200 concerten per jaar geeft, heeft al de nodige prijzen in de wacht gesleept. Vorig jaar won ze b.v. de 4e prijs in de Telluride Troubadour Contest op het Telluride Bluegrass Festival in Colorado en behoorde ze tot de 10 top finalisten in The Rocky Mountain Folks Festival’s 2015 Songwriters Showcase in Lyons, Colorado. Carter Sampson wordt “The Queen of Oklahoma” genoemd.
Onlangs verscheen Wilder side, haar nieuwe (4e) album, met tien nieuwe eigen composities. Net als haar vorige album wordt dit nieuwe album weer uitstekend geproduceerd door Travis Linville en wordt Sampson begeleid door vrienden muzikanten uit Oklahoma.
Het titelnummer is een lekker uptempo nummer met een mooie pedal steel. Highway rider is een mooie ballad. Voortreffelijke zang van Sampson, die me doet denken aan Eileen Jewell, de backing vocals van John Moreland en het orgel van Ryan Jones. In Run away vallen de dobro en de sprankelend tokkelende gitaren op. Alle musici zijn voortreffelijk op dreef in het stevigere Holy mother, met wederom de prachtige stem van Carter Sampson, waarbij ik hier associaties krijg met Dar Williams. Een werkelijk prachtige song is Everything you need. Uitmuntende zang, het alom aanwezige orgel en de dobro. Countryfolk van de bovenste plank. Medicine River is een mooie ode aan Medicine Park in The Wichita Mountains met Carter Sampson als een jonge Dolly Parton en de subtiele begeleiding. Take me home with you is weer een mooie ballad in de stijl van Tift Merrit, met “tovenaar” en producer Travis Linville op dobro. Sampson zingt vervolgens, ondersteund door de backing vocals, in de door het orgel van Jones gedragen ballad Wild bird de sterren van de hemel. Het prijsnummer van het album. Alleen een beetje jammer dat het nummer iets te abrupt eindigt. De geest van Hank Williams zweeft boven het uptempo Tomorrow’s light. Het album eindigt autobiografisch met See the devil run, waarin Sampson verhaalt over haar bezoek aan Al Green’s Full Gospel Tabernacle in Memphis. ‘Let the tambourine ring and let the organ hum, gather ‘round good people, you gonna see the devil run’. Schitterend!.
Conclusie: Wilder side is een parel in het genre countryfolk. Wat een prachtig album heeft The Queen of Oklahoma met haar uitstekende begeleidingsband afgeleverd.
Tracks:
- Wilder side
- Highway rider
- Run away
- Holy mother
- Everything you need
- Medicine river
- Take me home with you
- Wild bird
- Tomorrow’s light
- See the devil run
Line up:
- Carter Sampson – zang, akoestische gitaar
- John Moreland – backing vocals
- Ali Harter – backing vocals
- Ryan Jones – orgel, piano
- Joe Mack – akoestische gitaar
- Gabriel Mor – elektrische gitaar
- Travis Linville – gitaar, dobro, bas, drums, percussie, banjo, pedal steel, backing vocals
Pan Alley Fever – Hidden Agenda Deluxe
Het zijn drukke baasjes die hun sporen in de muziek al lang hebben verdiend. BJ Baartmans (singer songwriter, producer en begeleider van o.a. Ian Matthews, David Corley, Shannon Lyon), Eric DeVries (The Big Easy, Songwriters United), Sjoerd van Bommel (Van Deven & Van Bommel, Jango Edwards, David Corley, Frederique Spigt), Gerald van Beuningen (Nancy Works On Payday, JW Roy en Rob Geboers (The Revolvers, Brainbox, Mick Taylor).
Deze gelegenheidsformatie heeft onder de naam Hidden Agenda Deluxe een eerste album uitgebracht, Pan Alley Fever. Dit album, met twaalf eigen composities en een cover voert je als luisteraar rechtstreeks terug naar de seventies.
Het album begint meteen vrolijk met Shine, dat sterk doet denken aan Ramblin’ man van The Allman Brothers. Lekker speels gitaarwerk. Invloeden van Little Feat zijn er in het gospelachtige Don’t give up hope. Tulsa shining is een regelrecht verlangen naar Tulsa Oklahoma. Een lekkere uptempo countryrocker. Mind of her own is een soulful funky nummer in de traditie van Dr. John. Een mooie gitaarsolo en een lekkere bas. De midtempo countryrocker I don’t even need you is een song met een fantastische hammond en Poco-achtige samenzang. De invloeden van The Band zijn volop aanwezig in de prachtige slowblues Don’t forget to leave, alsof ze Garth Hudson hebben ingehuurd, maar Sjoerd Geboers doet hier nauwelijks voor hem onder. De enige cover is Long time gone, dat oorspronkelijk verscheen op het debuutalbum van Crosby Stills & Nash uit 1969. Prachtig, bijna zes minuten genieten. Na het mooie Jericho walls komt het cajunachtige Sweet Joanna’s kiss, waarvan het begin me herinnert aan Eric Clapton’s Tulsa time. Een van de hoogtepunten van het album is de ballad Goodbye eternal youth, met CS&N achtige harmonies en ik bespeur ook invloeden van The Nits. En wat te denken van de gitaarsolo a la Roger McGuinn. Het Dough Sam achtige orgeltje is aanwezig in Good one liners en wordt gevolgd door de midtempo funky rocker Whole 7 days. Het album eindigt met So blue, een subtiele vaudeville jazzy blues waar Leon Redbone het patent op heeft.
Conclusie: Pan Alley Fever voert je zoals gezegd terug naar de countryachtige muziek van de 70’er jaren van de vorige eeuw. Niks geen poespas, niks geen vernieuwing, gewoon een lekker americana album van rasartiesten die weten waar ze de mosterd moeten halen.
Tracks:
- Shine
- Don’t give up hope
- Tulsa shining
- Mind of her own
- I don’t even need you
- Don’t forget to leave
- Long time gone
- Jericho walls
- Sweet Joanna’s kiss
- Goodbye eternal youth
- Good one liners
- Whole 7 days
- So blue
Line up:
- BJ Baartmans – gitaar, zang
- Eric DeVries – gitaar, zang
- Sjoerd van Bommel – drums, zang
- Gerald van Beuningen – bas
- Rob Geboers – hammond
Eternity’s descent – Studebaker John & The Hawks
De Amerikaanse bluesgitarist en mondharmonicaspeler “Studebaker” John Grimaldi werd geboren op 5 november 1952 in Chicago, Illinois. De naam Studebaker verwijst naar het bekende automerk Studebaker Hawk. John rijdt vandaag de dag trouwens nog in zo’n auto. Zijn vader was een muzikant die in zijn jeugd in de bekende Maxwell Street speelde, een locatie waar ook legendarische bluesmannen als Hound Dog Taylor, Big Walter Horton, Big John Wrencher, John Littlejohn en J.B. Hutto vaak waren te vinden. Hij leerde mondharmonica spelen toen hij 7 jaar was en hij werd door Hound Dog Taylor geïnspireerd om de slidegitaar ter hand te nemen. “Ouwe jongens” als Walter Horton drukten hem volgens zeggen op het hart vooral een eigen stijl te ontwikkelen. In de jaren 70 van de vorige eeuw formeerde hij zijn band The Hawks. De naam The Hawks is, behalve de verwijzing naar het automerk ook een eerbetoon aan zijn vriend J.B. Hutto wiens band The Hawks heette. Het eerste album van Studebaker John & The Hawks, Straight no chaser, verscheen in 1979 gevolgd in 1985 door Rockin’ the blues. Vanaf de jaren 90 brengen Studebaker John & The Hawks met enige regelmatig albums uit.
Deze maand verscheen het nieuwste album, Eternity’s descent. Het eerste nummer hakt er meteen stevig in. Same as mine is een melodieuze uptempo rocker met snerpende gitaarsolo’s en een heavy ritmesectie. Up and down the line again is een stevige voortdenderende boogie met een felle mondharmonicasolo. Het tempo gaat daarna iets terug in de midtempo blues Not to be like you (lyrische gitaarsolo’s) en Hold me down met gitaarwerk a la Albert Collins en een loeiende mondharmonicasolo. Uitstekend harmonicaspel is ook te horen in de stevige bluesballad My life, met gitaarsolo’s over beukende drums en een pompende bas. Ready to rock is een enigszins monotone voortdenderende rockerrocker met zang van Studebaker John die me in de verte doet denken aan John Hiatt. Alleen is de stem van Studebaker wat vlakker. In het jachtige I feel like rockin’ scheurt John zijn gitaar bijkans aan flarden met zijn felle solo’s. I still won is een “springerige” bluesballad met mondharmonciasolo ’s, een zoemende bas en een drumsolo aan het eind. De ritmesectie dendert vervolgens ook weer door in de uptempo gitaarrocker Search this life. Mondharmonicasolo’s bepalen de bluesballad Passed and gone. De gitaarsolo’s en de meppende drums overheersen weer in Rock and roll before I die. De bluesballad Humanity is een (relatief) rustpunt op het album met de ingetogen zang en de huilende harmonica. Het album eindigt mooi met de instrumentale slowblues Eternity’s descent.
Conclusie: Studebaker John is een heel goede gitarist en hij speelt uitstekend mondharmonica en The Hawks weten ook van wanten. Eternity’s descent is geen uitschieter in zijn genre maar na een paar keer beluisteren gewoon een goed bluesrockalbum.
Tracks:
- Same as mine
- Up and down the line again
- Not to be like you
- Hold me down
- My life
- Ready to rock
- I feel like rockin’
- I still won
- Search this life
- Passed and gone
- Rock and roll before I die
- Humanity
- Eternity’s descent
Long nights – Lucky Peterson
Judge Kenneth Peterson, beter bekend als Lucky Peterson, werd geboren op 13 december 1954 in Buffalo (New York). Zijn vader was blueszanger en –gitarist James Peterson, die in Buffalo de nachtclub The Govenor’s Inn runde, waar o.a. Willie Dixon regelmatig optrad. Lucky Peterson speelde op school op de ‘French horn’, maar hij leerde al snel gitaar en piano spelen en hij werd begeleider van Etta James, Little Milton en Bobby ‘Blue’ Bland. Vanaf 1989 begon hij albums op te nemen bij Alligator Records en Verve Records en hij ‘versleet’ daarna nog een aantal labels zoals Blue Thump Records, Dreyfus Records en JSP Records. In 2014 verscheen zijn album The son of a bluesman op Jazz Village, maar met zijn nieuwste album Long nights is hij weer terug bij JSP Records.
De opener It’s me is een funky blues met piano en slide en wordt vervolgd door een lekkere no nonsens midtempo blues. Het titelnummer Long nights is een indringend gezongen prachtige slowblues met uitstekend gitaarspel en een tinkelende piano. Be your man is pure countryblues, met fantastisch slidespel en Wasting my time is een ouderwetse shuffle met gitaar, piano en een solide ritmesectie die ook in Mad as a man can be goed aanwezig zijn. Never coming back is een klassieke Elmore James achtige bluesstamper en de krachtige zang en de piano toveren Repo man om in een heerlijke pianoblues. Een pareltje is de subtiele akoestische bluesballad Six o’clock blues, waarin ook de in 2009 overleden Amerikaanse tv-persoonlijkheid Walter Cronkite nog even langs komt. Met Erline verzeilen we rechtstreeks in de Blues delta. Schitterend gitaarspel. Feeling they call the blues is een lekkere afsluiter met een solerende Peterson op piano.
Conclusie: Lucky Peterson wilde met zijn nieuwe album terug gaan naar zijn roots, de blues, en daar is hij heel goed in geslaagd. Lucky Peterson predikt met Long nights niet de revolutie, maar dat is geen enkel probleem. In tegendeel, hij heeft een uitstekend bluesalbum afgeleverd dat ik regelmatig zal draaien.
Tracks:
- Is it me
- Waiting on you
- Long nights
- Be your man
- Wasting my time
- Mad as a man can be
- Never coming back
- Repo man
- Six o’clock blues
- Erline
- Feeling they call the blues
Line up:
- Lucky Peterson – gitaar, dobro, piano, vocals
- Jonathan Fisher – akoestische bas
- Jamil Byrum – drums
- Kelyn Crapp – backing gitaar